Selecteer een pagina

De vestingstad Naarden is in het verleden vaak speelbal geweest tijdens oorlogen in ons land. Het militaire bolwerk heeft voor de laatste keer zijn strategische waarde bewezen tijdens de terugtocht van de Fransen in 1813/14, toen de vesting maandenlang belegerd werd. Een per postduif verstuurd briefje uit de bezette stad geeft ons een kijkje in het dagelijks leven van gewone burgers in tijd van beleg.

Aan het einde van de achttiende eeuw woedde er een burgeroorlog in Nederland. Patriotten, die zich tegen de corrupte regentenkliek van stadhouder Willem V hadden gekeerd, eisten invloed op het bestuur. In 1795 grepen ze, met behulp van een Frans leger, de macht in ons land. Willem V vluchtte naar Engeland en ons land heette voortaan de Bataafse Republiek. In Naarden werden de Fransen aanvankelijk als bevrijders ontvangen. Deze gastvrije houding zou ze op termijn duur komen te staan, toen de Franse keizer Napoleon Bonaparte in 1806 besloot om de Bataafse Republiek op te heffen en in 1810 Nederland definitief bij Frankrijk in te lijven.

Boeren moesten paarden en wagens afstaan aan de Franse troepen en de Naardense textielindustrie raakte in verval. Een derde van de bevolking was uit de vesting vertrokken en van de overgebleven burgers was bijna de helft armlastig. Ook het onderhoud aan de vestingwerken lag nagenoeg stil. Dat weerhield Napoleon er niet van om in 1811 tijdens een inspectiebezoek aan Naarden zijn tevredenheid over de vesting te uiten. Napoleons heerschappij zou echter niet lang meer duren. Twee jaar later werd zijn leger bij Leipzig verslagen. De Fransen trokken zich terug en in het onafhankelijke Nederland groeide de roep om Oranje. Op 30 november 1813 keerde prins Willem Frederik van Oranje, zoon van stadhouder Willem V, terug naar ons land om de kroon te accepteren.

‘De halve Maan voor Naarden bij het Beleg van 1814’, Pieter Gerardus van Os (collectie Rijksmuseum).

De vesting belegerd

In sommige Gooise dorpen waren al verwachtingsvol de Oranjevlaggen uitgehangen voor de nieuwe koning, maar niet in Naarden. Onder leiding van baron Quétard de la Porte was een Frans garnizoen van ruim 2.000 man in de vesting gelegerd, dat hardnekkig verzet bleef bieden. Ze zouden er nog maandenlang blijven zitten, wachtend op een ontzetting door het Franse leger, die nooit zou komen. Buiten de vestingstad vormde luitenant-generaal Cornelis Kraijenhoff een korps, dat met behulp van Pruisen, kozakken, Amsterdamse schutterij en Gooise boerenlandstorm de vesting omsingelde. Hij zorgde ervoor dat tijdens de strenge winter van januari 1814 de wateren rondom Naarden ijsvrij bleven, zodat de Fransen niet over de bevroren vlaktes konden oprukken naar Amsterdam.

De Franse bezetters moesten af en toe op strooptocht buiten de vesting, op zoek naar brandhout en levensmiddelen. Hierbij kwamen geregeld schermutselingen voor tussen de Franse soldaten en de Nederlandse belegeraars. Pieter Gerardus van Os, kapitein van de Loosdrechtse landstorm, beschrijft de situatie als volgt: ‘‘Nu vielen er dagelijks gevechten van meer of minder belang voor, waarbij telkens van de onzen gedood of gekwetst wierden. Een van deze dagen naderde de vijand zelfs tot aan Bussum.’ Van Os legde niet alleen in woorden, maar ook in beelden het Beleg van Naarden vast. Militaire activiteiten tekende hij in zijn schetsboek, om ze daarna uit te werken tot schilderijen. Zijn tekeningen en schilderijen geven de sfeer en het verloop van het Beleg prachtig weer.

Luitenant-generaal Baron Kraijenhofff in 1823 door Charles Howard Hodges (particuliere collectie).

Clandestiene communicatie

Een tijd lang waren er niet genoeg middelen voor een volledige belegering van de stad. Pas in januari 1814 vond het eerste bombardement op de vesting plaats. Toen in februari sterkere kanonnen arriveerden, werden de bombardementen heviger. Vanaf 14 februari 1814 werd iedere nacht om het half uur een granaat in de stad geworpen, waardoor burgers gedwongen waren om te schuilen. Maar er werden ook projectielen met pamfletten de vesting in geschoten om de belegerden op de hoogte te houden van de vorderingen van de geallieerden. Wegen rondom de vesting waren inmiddels afgesneden, maar een regelrechte bestorming was door de vrieskou onmogelijk: de Fransen hadden alle muren en wallen met water bespoten, zodat ze spekglad waren. Wel sloten steeds meer troepen en geschut zich bij het Beleg aan.

Ondertussen slonk de voedselvoorraad in de vestingstad. Toen het noodzakelijkste begon te ontbreken, werden de armen van hun magere voorraadje ontdaan en uit de stad gezet. Ook alle ‘onbetrouwbaar’ geachte burgers moesten de vesting verlaten, om het aantal hongerige monden te beperken. De uitdeling van zout en brandhout werd in februari gestaakt, roggebrood was het hoofdvoedsel. De resterende burgers mochten de vesting niet verlaten, noch contact onderhouden met de buitenwereld. Zij waren als gijzelaars in hun eigen stad en werden door de Fransen als menselijk schild gebruikt.

In deze benarde situatie was het versturen van clandestiene briefjes per postduif de enige mogelijkheid om contact te houden met hun dierbaren buiten de vesting. Eén zo’n briefje is bewaard gebleven in de collectie van het Nederlands Vestingmuseum. Op 19 maart 1814 schreef Nancy aan Angelique:

‘Ik neem de geleegenheid waar lieve Angélique om U met onze buurvrouw iets te melden dat wij allen nog gezond zijn. Ik twijfel niet of gij zult voorleedene week een briefje van mij gekreegen hebben, Gij zult daaruit vernoomen hebben dat wij in alle omstandigheden nog al wel zijn. Wij worden merkelijk door ’t opperweezen gesterkt, want anders konden wij niet doorstaan hetgeen wij al ondervonden hebben en nog doen. Met het bombardeeren zijn wij in een geblindeerde kelder in het nieuwe huys. Ik word hier gestoord. Gij zult denkelijk tegelijk met deze nog een briefje van mij door Louise Thierens ontfangen. Alleen dit nog: Ik zal u moogelijk nog eens een doosje zenden. Daar moet Coo de boom uit snijden. Daar zijn allemaal charades in om hem over onze afwezigheid te troosten. Adieu, omhels allen voor ons. Nancy, 19 maart 1814’

De witte vlag in top

Vanaf april werden de bombardementen steeds zwaarder. In de nacht van 4 april vielen maar liefst 1500 granaten in de vesting, maar de Franse kolonel Falba wilde niet denken aan overgave. De maire van Naarden, die door de Fransen werd gezonden om te onderhandelen met de belegeraars, kreeg duidelijke instructies mee: ‘Doed hem gevoele het garnizoen niets door het bombardement te leiden heeft; dat het alléén de inwoners zin die er slagtoffers van werden’. Op 6 en 7 april werd de beschieting herhaald. Falba bleef volhouden, zelfs toen de vrede met Frankrijk was getekend. Wegens voedselgebrek stuurde hij nog enkele honderden burgers de stad uit.

Pas toen in mei de overgebleven 1100 man van de bezetting uitgehongerd raakte, nam Falba een beslissing. Op 6 mei besloot hij af te reizen naar Haarlem, om zich daar te overtuigen van Napoleons verlies en verbanning naar Elba. Een dag later werd de witte vlag in de toren gehesen, op de voet gevolgd door de vlag van Nederland. Op 12 mei verlieten de Fransen Naarden en was de vestingstad weer vrij. Na Delfzijl, dat pas op 22 mei vrijgegeven werd, is Naarden het langst door de Fransen bezet geweest. De schade aan de stad was dan ook groot. Welgeteld 227 van de 391 huizen waren in min of meerdere mate beschadigd geraakt en aan de vestingwerken diende groot herstel te worden gepleegd.

Heldendaden beloond 

Officieren en manschappen van de burgerkorpsen die tijdens het Beleg van Naarden hadden gediend, werden in 1816 onderscheiden met een nieuwe erepenning: de Naarder Medaille. Generaal Kraijenhoff werd in 1815 verheven in de adelstand met de titel van baron. Enkele jaren later kreeg hij in het Koninklijk Paleis in Brussel het Grootkruis der Militaire Willemsorde opgespeld door Koning Willem I. Niet voor zijn heldhaftigheid tijdens het Beleg, maar voor een ander wapenfeit. Hij was namelijk initiatiefnemer van de Nieuwe Hollandse Waterlinie: een verdedigingslinie van forten en vestingwerken, die een groot deel van Holland en Utrecht beschermde tegen aanvallen. Ook Naarden-Vesting hoorde hierbij. In 1823, toen hij het grootkruis ontving, had hij net de verdedigingswerken aan de Zuidelijke Frontier voltooid: een ring van fortificaties aan de grens tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Grootkruis der Militaire Willemsorde verleend aan luitenant-generaal Kraijenhoff in 1823 (collectie Kraijenhoff).

Zowel Kraijenhoffs onderscheiding als het briefje uit de bezette vesting bevinden zich tegenwoordig in de collectie van het Nederlands Vestingmuseum in Naarden. Beide objecten zijn tevens topstukken in de Canon van Nederland. In het Nederlands Vestingmuseum, dat gevestigd is in oude kazematten op bastion Turfpoort, komt de geschiedenis van Naarden tot leven. Ook staat er buiten een grote collectie historische kanonnen uit de Franse Tijd, die nog steeds wordt gebruikt tijdens speciale Schuttersdagen. Wil je ook eens langskomen en de kanonnen horen bulderen? Neem dan een kijkje op de website van het Vestingmuseum en plan je bezoek.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries, verhalenplatform Oneindig Noord-Holland: https://onh.nl/verhaal/clandestien-briefje-uit-een-belegerd-naarden

Bronnen:

  • A.C.J. de Vrankrijker, De historie van de vesting Naarden (Bussum 1965).
  • Carlos Scheltema red., De vesting Naarden. Een halve eeuw restaureren (Utrecht 2014).
  • Sarah Remmerts de Vries, Canon van Huizen (Huizen 2019).
  • Informatie van het Nederlands Vestingmuseum in Naarden.
  • Canon van Nederland: Vestingmuseum Naarden, Napoleon en koning Willem I