Geschiedenis van de bouw van de huidige vesting Naarden

Vesting Naarden na de 80-jarige Oorlog

Naarden was na de 80-jarige Oorlog en de plundering door de Spanjaarden in 1572 als vesting herbouwd volgens de ideeën van Simon Stevin (Het Oud Nederlandse Stelsel), geënt op het Oud Italiaanse stelsel: kleine bolwerken, flanken loodrecht op de courtine (een stenen muur met een aarde wal aan de binnenkant) en een enkele gracht.

In 1672 slaagden Franse troepen van Koning Lodewijk XIV (de Zonnekoning) erin Naarden Vesting te veroveren op hun weg naar Amsterdam. Vervolgens werden de Fransen bij Muiden door de Hollandse Waterlinie en het Staatse leger tegen gehouden.

In 1673 wist stadhouder Willem III na een beleg en stormaanval Naarden te ontzetten. Na de Franse capitulatie werd begonnen met het herstel van de aangerichte vernielingen van de vestingwerken. Al spoedig besloot men echter, een geheel nieuwe vesting te bouwen. Dit was nodig om weerstand te kunnen bieden aan de grotere explosieve kracht van het buskruit en de verbeteringen van het geschut.

De bouw van de nieuwe vesting Naarden

Voor het eerste gedeelte van de bouw, had Willem III als zijn deskundige op het gebied van vestingbouw, Maximiliaan d'Yvoy, zoon van een uitgeweken Hugenoot, aangesteld. Deze had ervaring opgedaan als ingenieur in de stad Oranje in Zuid-Frankrijk en later bij de aanleg van de vestingwerken van Genève. Hierover was men zo tevreden dat hij in 1676 opnieuw werd gevraagd. In 1674 werd d’Yvoy tot ordinaris-ingenieur en controleur over ’s lands fortificatiën benoemd. In 1682 was hij inspecteur-generaal der vestingwerken.

D'Yvoy begon met het buitendijkse gedeelte, de fronten Oud Molen - Katten en Katten – Oranje, plus de beide beren. Hierbij werden de oude vesting muren als courtines gebruikt.

Voor de bastions werd het stelsel van Hendrik Ruse uit 1654 gebruikt, het Verbeterde Oud Nederlandse Stelsel. Bij dit stelsel stonden de flanken niet langer loodrecht op de courtine, maar op het verlengde van de face van het neven bastion, de zgn. strijkende defensie lijn. Nu was het wel mogelijk om vanaf de flanken de facen te bestrijken, zodat het nut van de Fausse Braye vóór de facen kwam te vervallen. Ze bleven wel vóór de courtine en de beide flanken.

 

In de Nederlanden bleef men echter strak vasthouden aan het Oud Nederlandse Stelsel, terwijl in Frankrijk, ingenieurs als Pagan en Vauban wel verbeteringen aan brachten.

Willem III die deze achterstand goed begreep, besloot Franse Hugenoot ingenieurs naar de Nederlanden te halen. In 1678 werd één van deze, Jean Baptiste de Bombelle aangesteld tot ordinaris-ingenieur met de opdracht de vestingwerken van het gehele land te versterken.

 

Men begon volgens het bestek van Bombelle bij de rechter flank van Bastion Oranje tot en met de linker flank van Bastion Oud Molen (het binnendijkse deel). Een concave en teruggetrokken saillante, voorzien van een borst- wering, en bereikbaar via een poterne (gang onder de wal door). Vanaf deze plaats kon de gracht bestreken worden. Nog aanwezig bij de bastions Nieuw Molen en Oud Molen. Deze constructie is typisch voor Bombelle.

De bastions Oranje (rechter flank), Promers, Turfpoort, Nieuw Molen Oud Molen (linker flank), waren voorzien van kazematten met kanonkelders, van waaruit de hoofd- of kapitale gracht bestreken kon worden. In 1685 was met de voltooiing van de Amsterdamse poort, de ʺvestingʺ compleet. Voorzien van een gerevêteerde (ca. 2 meter dikke) muur, vijf bastions hadden een teruggetrokken saillant, behalve bastion Katten. Deze was voorzien van een Kat of Cavalier. Een verhoging, waarvop men met geschut verder kon schieten. Vijf gerevêteerde ravelijnen en één, bekend als het Vesting eiland, niet gerevêteerd. Een hoofdgracht, een buitenwal of enveloppe voorzien van wapenplaatsen, en een buitengracht.

De dekkingswallen (couvre facen) voor de beide beren zijn pas in 1731 (Oostbeer) en 1738 (Westbeer) aangelegd.

De enige onvolkomenheid was de ligging van de Oostbeer. Deze lag nl. in het verlengde van de rechter face van het bastion Oranje en liep verder via de ʺDijck naer het Oude Naardenʺ(de oostdijk ). In 1684 werd besloten deze beer te verleggen, nl. in het verlengde van de kapitaal van het bastion Oranje, hetgeen vestingbouwkundig zo hoorde. Hiervoor moest ook de Oostdijk worden verlegd.

Laatste verbeteringen

In 1875 werden de binnen afrondingen van de saillanten van de bastions Oranje, Promers en Turfpoort, vervangen door mortier kazematten, ieder voorzien van drie mortierkelders. Met de daar opgestelde, zware mortieren (kaliber 29 cm), kon de Amersfoortsestraatweg bestreken worden.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden in de enveloppe betonnen schuilplaatsen aangelegd.

  

De theorie dat Coehoorn bij de bouw van Naarden betrokken zou zijn geweest, klopt niet. In zijn boek ʺ Vestingbouw op een natte of lage horisontʺ uit 1685, had hij kritiek op de bouw; De gerevêteerde muren zijn te hoog, en daardoor vanuit het veld te zien en dus te vernielen (“gezien metselwerk is verloren metselwerk” zo stelde Coehoorn). De gracht was te breed, waardoor communicatie vanaf de bedekte weg met de vesting erg moeilijk was. De eerste maal dat Coehoorn Naarden heeft bezocht, was in 1697, toen hij een inspectie tocht maakte op verzoek van prins Willem III.

Door: Jhr S.J. Gockinga